FFT Nederland - Home  
 
 
  • Foto 1
  • Foto 2
  • Foto 3
  • Foto 4

Indicatiecriteria

Voor deelname aan FFT als gedragsinterventie moet de jongere voldoen aan de volgende indicatiecriteria:

  1. matig of hoog risico op herhaling van delict(en) (op basis van de Nederlandse 2009-versie van de Washington State Juvenile Court Pre-Screen Assessment (WSJCPA-NL-2009; Van der Put e.a., 2009) óf de Structured Assessment of Violent Risk in Youth (SAVRY; Lodewijks e.a., 2003));
  2. matige of ernstige gezinsproblemen (op basis van domein 5b ‘huidige gezinssituatie’ van de Washington State Juvenile Court Assessment (WSJCA; Barnoski, 2004) óf van factor 14 de SAVRY);
  3. matige of ernstige gedragsproblemen (op basis van het domein 8 ‘attitude en gedrag’ van de WSJCA of van het domein ‘individuele risicofactoren’ van de SAVRY);
  4. jongere woont in zijn gezin of keert weer terug naar zijn gezin. Bij FFT in het kader van een Maatregel Hulp en Steun of een GedragsBeïnvloedende Maatregel vindt deze terugkeer plaats binnen twee sessies. Voor FFT in het kader van een Scholings- en TrainingsProgramma na verblijf in een Justitiële Jeugdinrichting (de Re-entry variant), geldt dat volgens het behandelplan de jongere binnen maximaal 3 maanden weer thuis woont en de jongere bij aanvang van FFT minimaal ééns in de veertien dagen minimaal twee dagen en twee nachten thuis is (bij zijn ouders).
  5. bereidheid van jeugdige en ouders tot deelname (op basis van de intakegegevens en informatie van de Raadsonderzoeker of op basis van het doel uit het behandelplan ‘terugkeer naar huis’).

 

Of een jongere aan deze criteria voldoet, wordt door de Raadsonderzoeker in kaart gebracht met behulp van de WSJCPA-NL-2009  en de voor FFT relevante domeinen van de WSJCA . Op basis hiervan worden jongeren al dan niet geïndiceerd voor FFT. Indicatie voor FFT geschiedt door de behandelcoördinator/gedragsdeskundige met behulp van dezelfde instrumenten óf met behulp van de ‘SAVRY’.


Criterium I: Matig of hoog risico op herhaling delict(en)
Voor de vaststelling van het risico op herhaling wordt gekeken naar de aanwezige risicofactoren. Enerzijds gaat het om
a) het ‘strafrechtelijke verleden’: de mate en ernst van het delinquente gedrag en
b) het ‘sociale verleden’: risicofactoren in de omgeving van de jongere of individuele risicofactoren.

 

Criterium II: Gezinsproblemen
Problemen in het gezin vergroten de kans op delinquent gedrag. Factoren in het gezin die de kans op delinquent gedrag sterk vergroten, zijn bijvoorbeeld:

  • vijandige en kleinerende houding t.a.v. de jongere
  • weinig mogelijkheden om deel te nemen aan gezinsactiviteiten
  • weglopen of weggestuurd worden
  • huiselijk geweld
  • financiële problemen
  • alcohol- en drugsverslaving en/of psychische stoornissen van ouders
  • ontoereikende opvoedingsvaardigheden van ouders, zoals:
    • inadequaat toezicht;
    • inconsistente en grillige straffen en beloningen

Criterium III: Gedragsproblemen
De gedragsproblemen kunnen zich meer openlijk (pesten, tiranniseren, vechten, beroving, verkrachting) en meer heimelijk (liegen, stelen, inbraak, brandstichten, aanzetten tot of profiteren van antisociaal gedrag van anderen, fraude) manifesteren. De heimelijke vorm komt bij meisjes vaker voor (omgang met antisociale jongens/loverboys; aanwezigheid bij ernstig antisociaal gedrag zoals diefstal of beroving, daar niets tegen doen en/of profiteren van de opbrengst). Gedragsproblemen kunnen zich ook uiten in ernstige vormen van oppositioneel gedrag zoals chronisch spijbelen en weglopen van huis.

 

Criterium IV: Jongere woont in het gezin of gaat hier weer wonen

De jongere woont in zijn gezin of keert, indien hij tijdelijk elders heeft gewoond, binnen twee sessies FFT weer terug naar zijn gezin. Deze afspraak wordt zowel door ouder(s) als jeugdige volmondig onderschreven en ondertekend.
Voor de Re-entry variant geldt als criterium dat een doel uit het behandelplan betreft ‘terugkeer naar huis’. Het plan is dat de jongere uiterlijk binnen 3 maanden weer thuis woont. Dit is vastgelegd in het behandelplan en een verslag van het gesprek met ouders en jongere hierover. Belangrijk is dat er geen discussie meer is of de jongere naar huis gaat. Dat staat vast; eventuele discussie daarover is geen onderdeel van de FFT interventie. FFT is geen oefentraject waarna bepaald wordt of het veilig genoeg is en de condities toereikend aanwezig zijn.
De jongere is minimaal ééns in de veertien dagen minimaal twee dagen en twee nachten thuis (bij zijn ouders). In de praktijk gaat het om vrijdagavond tot en met zondagmiddag, met twee overnachtingen. Vaak is er elke week verlof.
Voorop staat dat jongere en ouders voldoende interactiemomenten met elkaar hebben buiten de FFT-sessies om. Wanneer een jongere aan het eind van een residentieel behandelingstraject vaak en lang genoeg in het weekend naar huis gaat, wordt hieraan voldaan.

 

Criterium V: Bereidheid tot deelname

De jongere en ouders stemmen in met FFT en zijn bereid naar de eerste bijeenkomst te komen. De raadsonderzoeker of behandelcoördinator stelt vast of de jongere en ouders instemmen met FFT en aan deze voorwaarde voldoen. Daarbij wijst de raadsonderzoeker de jongere en ouders op het belang dat FFT voor hen kan hebben: het oplossen van problemen en recidive voorkomen.
Meer motivatie dan bereidheid om te komen is bij aanvang van FFT niet nodig. De FFT-therapeut motiveert jongeren en ouders voortdurend.
 

Persbericht FFT-MST Persbericht FFT-MST 15-02-2010

 

 


 


IJsbaanpad 6, 1076 CV Amsterdam, Tel: 020 8901970, info@fft-nederland.nl De Bascule